PKN
Protestantse gemeente te Ouwsterhaule - Scharsterbrug
 
Kerkdienst 29 maart 2020 Kerkdienst 29 maart 2020

‘Heer als u hier was geweest, dan was mijn broer niet gestorven’. We horen Marta deze woorden tegen Jezus zeggen. En later zegt ook haar zus Maria precies hetzelfde. We horen sommige Joden zeggen: ‘Hij heeft de ogen van een blinde geopend, hij had nu toch ook de dood van Lazarus kunnen voorkomen?’. Het zijn woorden die vanzelf opkomen bij mensen die Jezus hebben leren kennen. Zijn wonderen hebben gezien. Het zijn dan ook woorden die ook vandaag de dag bij ons naar boven kunnen komen. Wanneer we de nieuwsberichten voorbij zien komen over het Corona-virus. Iedere dag opnieuw krijgen we te weten bij hoeveel mensen het virus is vastgesteld en hoeveel mensen er zijn overleden. En als we vandaag dan Johannes 11 lezen, kunnen die woorden van Marta en Maria heel dichtbij komen. Komt net als bij hen misschien de gedachte omhoog: ‘Heer, als u hier was geweest, dan waren die mensen niet gestorven’.

Deze woorden spreken van vertrouwen op Jezus’ kunnen. Jezus die inderdaad de ogen van de blinde had geopend. Jezus die zo had laten zien dat hij macht had over ziekten. Maar deze woorden roepen Jezus ook ter verantwoording, want nu Lazarus is overleden is de hoop voorbij. De dood heeft de hoop op het leven ontnomen. En zo wordt Jezus ter verantwoording geroepen: ‘Waarom bent u niet eerder gekomen?’ Het heeft bijna een dwingende ondertoon. Jezus had de dood van Lazarus moéten voorkomen. En het lijkt wel alsof Marta en Maria vergeten zijn dat Jezus van Lazarus hield. Dat het een geliefde vriend van hem was, zoals de vrouwen zelf tegen hem hadden gezegd.

Maar wat wil je als broer is overleden? Als er een gat wordt geslagen in je familie en er een lege plaats overblijft. Kun je het Maria en Marta dan kwalijk nemen dat ze dit tegen Jezus zeggen? Kun je het kwalijk nemen dat ook nu vele mensen zich afvragen waar God blijft? Jezus hoort de woorden en laat ze staan. Neemt het de twee vrouwen niet kwalijk. Maar hij weet dan ook dat dit niet uitloopt op de dood, maar op de eer van God.

Jezus troost Marta met de woorden dat haar broer zal opstaan uit de dood. Maar het is de vraag of deze woorden Marta daadwerkelijk troosten. Ja, ze gelooft dat haar broer zal opstaan uit de dood, maar dat zal pas op de laatste dag zijn. Pas dan zal Lazarus weer leven. ‘Nee’, zegt Jezus, ‘als je in mij gelooft dan zal je leven, ook wanneer je sterft. En wanneer je leeft en in mij gelooft, dan zal je nooit sterven’. Jezus vraagt Marta of ze dat kan geloven. Hij vraagt of wij dat vandaag de dag kunnen geloven. Dat de dood niet het einde is in ons leven. Dat wanneer ons lichaam geborgen wordt in een graf het niet over en uit is. Je zult weer tot leven worden gewekt, zegt Jezus. En wanneer je in dit leven in mij gelooft, mij volgt, dan ga je niet dood als je sterft.

Voor Jezus begint het eeuwige leven al op aarde. Begint het eeuwige leven in het hier en nu, in het volgen van hem. Dat mag Marta hoop geven en ook ons hoop geven als we de dood om zich heen zien grijpen. Al in ons leven op aarde worden we opgewekt uit ons dode bestaan. Worden we opnieuw geboren om met Jezus te leven. Wordt ons oude leven begraven in de doop en staan we op met Jezus. Leven we door de kracht van de Heilige Geest met Jezus en treden we in zijn voetsporen. De dood brengt dat niet tot een einde, maar brengt ons nog dichter bij God. Dat is de wereld op zijn kop!

Betekent dit dan vervolgens dat de dood geen pijn meer brengt? Dat we niet hoeven te treuren als er zovelen het leven laten?... We zien Maria huilend voor Jezus neerknielen en om haar heen vele mensen staan die met haar meehuilen. De pijn van het gemis voelen, misschien zelf wel weten wat het is om een geliefde te verliezen. Dit laat Jezus niet koud en hoeft ook ons niet koud te laten. Jezus weende en was diep bewogen met Maria en haar zuster Marta die een geliefde broer verloren. Hij ergerde zich aan het verdriet dat hij om zich heen zag. Niet dat de mensen niet zouden mogen huilen, nee, veelmeer ergerde hij zich aan de dood die dit verdriet en deze pijn teweegbracht.

Jezus loopt naar het graf van Lazarus toe en geeft tot verbazing van de mensen om hem heen de opdracht om de steen weg te halen. Hij roept Lazarus naar buiten en die komt levend en wel tevoorschijn. Hier blijkt voor de mensen dat Jezus niet alleen de macht heeft om ziekten te genezen, maar dat zelfs de dood aan hem onderworpen is. Straks als het Pasen is, zal dat opnieuw blijken. Dat de dood aan Jezus onderworpen is. Jezus die door de dood heen ging en opstond in een eeuwig leven. Hij die de Opstanding en het Leven is.  

Maria en Marta gingen naar Jezus toe en riepen in hun ellende tot de Zoon van God. Jezus hoorde hen en zag hun verdriet. Hij redde hen daaruit en gaf hun broer Lazarus terug. Maar nog veel meer geeft hij aan iedereen die tot hem roept en bij hem zijn of haar toevlucht zoekt. Jezus ziet ook ons verdriet en heeft ons laten zien: weet dat de dood niet het laatste woord heeft. Wanneer je nu al met mij leeft dan zal de dood je thuisbrengen bij God.
 
Kerkdienst 22 maart 2020 Kerkdienst 22 maart 2020
Schriftlezing: Johannes 9

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

“Binnen enkele weken is ons dagelijks leven drastisch veranderd. Het coronavirus raakt ons
allemaal.” Zo sprak koning Willem Alexander ons deze week toe. En hij heeft gelijk. Het raakt ook ons
hier in Ouwsterhaule en Scharsterbrug. Tien dagen geleden gingen de kinderen nog naar school, was
er nog volop bedrijvigheid, lagen alle schappen nog vol en waren er ook in onze kerk nog
verschillende activiteiten. Binnen korte tijd is ook ons dagelijks leven drastisch veranderd.

Sommige mensen gebruiken het woord ‘apocalyptisch’ om de tijd waar we nu in leven aan te duiden.
Al denk ik dat we voorzichtig moeten zijn met dat woord. Hoeveel mensen hebben niet geroepen dat
in hun tijd écht de eindtijd was aangebroken? Ongetwijfeld is dat ook beweerd toen de pest in de 14e
eeuw wereldwijd miljoenen levens kostte. Toch zouden we dat woord apocalyptisch wel kunnen
gebruiken, in die zin dat het woord apocalypse ‘onthulling’ of ‘openbaring’ betekent. Iets dat
voorheen bedekt was - denk aan een beeld met een doek eroverheen - wordt onthuld. Je zou kunnen
zeggen dat de wereld niet alleen veranderd is, maar dat de wereld ook blootgelegd is. Dingen die wij
voorheen niet zagen, gaan we nu in onze tijd duidelijk zien.

Wat gaan we dan nu zien? Dat wij fragiel zijn. Dat het ons allen raakt, rijk en arm, jong en oud, en
daarmee dat wij allen gelijk zijn, onderling verbonden en onderling afhankelijk. Dat we niet overal de
controle over hebben. En dat aan het majestueuze van de opstanding, de machteloosheid van het
kruis voorafgaat.

In het hoofdstuk dat we lazen, Johannes 9, gaat het ook over het verliezen van controle. Jezus ziet
een blinde en de discipelen hebben meteen hun conclusies klaar: die man heeft gezondigd, of op z’n
minst zijn ouders. Jezus wijst die manier van denken meteen af. En dan gebeurt er iets wat niemand
had zien aankomen: een wonderbaarlijke genezing. Dat roept vragen op, ook in onze tijd. Kan dat wel
echt waar zijn? En wij hebben ook onze vragen over ziekte of ander onheil. Waarom overkomt mij
dat? Of vragen als: Waarom wordt die wel genezen en die niet?
Ook hier roept de genezing veel vragen op. We lezen nergens een spoortje van vreugde over die
genezing. Is het dan iedereen ontgaan dat er een wonder gebeurt is? Welnee, integendeel. Iedereen
komt in actie als die man opeens gezond en wel voor hen staat. Ze willen hem beschuldigen,
veroordelen. Maar waarom? Waarom voelt die gemeenschap zo’n drang om de genezen man het
zwijgen op te leggen?

In al de gesprekken die volgen, of beter gezegd: al de verhoren die volgen, klinkt vooral veel angst
door. Een angst die zo primitief is en zo diep zit, dat het al het medeleven en alle empathie verdrijft.
Niemand is blij. Er heerst angst. Er zijn alleen maar vragen en vermeende antwoorden. De grootste
angst, de grootste zorg is: Niet weten hoe het zit.

Ze zijn de controle kwijt geraakt. Ze wisten hoe het zat: Er was gezondigd en daarom was die man
blind. En over Jezus zeggen de Farizeeën met zekerheid: “Wij weten dat Hij een zondaar is.” (v. 24).
En daarom kán Hij de blinde man niet hebben genezen. Ze zoeken naar verklaringen. Maar ze komen
er niet uit.

Als de blindheid van de man geen straf is, wat zegt dat dan over de manier waarop de wereld in
elkaar zit? Dan kan iedereen ziek worden, of gehandicapt raken, of jarenlang onverdiend pijn lijden
zonder dat daar een reden voor is. Dat zou niet eerlijk zijn, toch? Dat zou een realiteit zijn waar het
vrome religieuze volk geen controle over heeft. Een beangstigende gedachte. Want dat betekent het einde van onze controle. Dan kunnen de dingen ons zomaar overkomen. En dat geven wij mensen niet zomaar op: die illusie dat wij controle hebben over de dingen van het leven.

Nu er bij ons iets onverwachts gebeurt, een virus dat een pandemie veroorzaakt, weten ook wij het niet meer. En dus zoeken we duiding voor iets waar we geen grip op hebben. In normale tijden zijn we al vaak op jacht naar antwoorden. Ook in de kerk kunnen we sterk de neiging hebben om een zieke op het hart te drukken dat alles met een reden gebeurt. Of we zeggen dat God onze Heer overal een bedoeling mee heeft, ook al zien we dat nu misschien nog niet helemaal. En nu is de verleiding groot om ook dit virus een bepaalde duiding te geven. Om er een betekenis aan te geven. Of om te kijken naar wat voor moois aan creativiteit en initiatieven er allemaal boven komen in deze tijd. En te wijzen op de enorme kansen die dit alles biedt voor de kerk. Om maar weer een antwoord te hebben op de vraag waarom ons dit allemaal overkomt. Om de grip op de zaak een beetje terug te krijgen. Maar wij hebben geen grip en het hele gebeuren gaat ook ons begrip te boven. Nee, het enige dat wij kunnen zeggen is dit: “Heer, ontferm U. Ontferm U over ons en over deze wereld in nood.”

In deze moeilijke tijden is onze uitdaging om allereerst om te zien naar onze naaste. Maar er ligt ook een uitdaging om de moed te hebben om onszelf te zien. Om onze eigen kwetsbaarheid, onze sterfelijkheid onder ogen te durven zien. En om in dit alles niet te vluchten in snelle antwoorden en oppervlakkige duidingen. Maar om te vertrouwen dat God met ons is, zelfs in het dal van de schaduw van de dood. Dan zijn we dichtbij Hem, die hangend aan het kruis, geen antwoorden had, maar vragend riep: “Mijn God, Mijn God, waarom ...?”
Amen.
 
 
Kerkdienst 15 maart 2020 Kerkdienst 15 maart 2020

Schriftlezing: Johannes 4:1-26


Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Eerst was alleen Noord-Italië een risicogebied. Nu geldt dat voor het hele land. De Verenigde Staten beschouwen haast heel Europa als risicogebied. Daar ga je niet heen en daar laat je geen mensen uit komen. In Jezus tijd was het voor ieder helder dat Samaria zo’n roodgekleurd risicogebied was. Daar wilde je niet zijn. Voor Joden gold een negatief reisadvies voor dat gebied. Want Joden en Samaritanen konden elkaar niet uitstaan. Ze vermeden ieder contact. De meeste Joden reisden liever om. Zodat ze niet door Samaria hoefden. Maar Jezus reist als Jood dwars door het gevaarlijke gebied. Doelbewust. Hij “moest” door Samaria heen, zo lezen we (v. 4). Jezus kan niet anders. Hij moet daar zijn, bij degenen waar anderen het liefst ver bij vandaan blijven.

En tegelijk is Jezus wel vatbaar voor al het menselijke. We lezen dat Hij vermoeid is van de reis en vraagt om iets te drinken. Daar zien we de dorstende Jezus, in al zijn menselijkheid. Hij is aangewezen op de levensmiddelen van deze wereld. Tot aan het kruiswoord “Ik heb dorst”, aan het kruis op Golgotha, is Jezus echt mens. Hij is niet een God die boven de aarde zweeft, immuun voor alles wat ons mensen kan overkomen. Nee, Hij weet wat het is om te dorsten. Hij weet ook wat wij doormaken, wat wij te verdragen hebben, onze angsten, ons verdriet en onze pijn. En Hij kent ons verlangen, onze honger en onze dorst.

Jezus heeft dorst. Dat is toch merkwaardig. De Zoon van God zit bij een waterbron en Hij heeft dorst. Hoe lang zou Hij daar gezeten hebben? Met droge lippen, verlangend naar water. Het middaguur is geen pretje, de dorst kan dodelijk zijn. Het doet denken aan de verzoeking in de woestijn. “Als U de Zoon van God bent, beveel die steen dan in een brood te veranderen.” (Luc. 4:3) Als de Messias het wil, kan Hij zonder twijfel aan water komen. Maar nee. Hij wacht.

Jezus heeft dorst en vraagt om een glas water. Daar volgt een heel gesprek uit met een Samaritaanse vrouw. Dat gesprek met deze vrouw bij de put is het langste gesprek dat we in het Nieuwe Testament vinden. Maar het is geen gewoon gesprek. De vrouw lijkt het steeds niet helemaal te snappen, wat Jezus bedoelt. Het is alsof ze steeds langs elkaar heen praten. Het heeft iets verwarrends, iets mysterieus. En tegelijkertijd gebeurt er in dit gesprek heel veel. Zekerheden gaan schuiven. En er wordt een nieuw perspectief geopend.

De vrouw gaat steeds duidelijker zien wie Jezus is. Dat Hij dorst heeft, lijkt steeds minder belangrijk te worden. Het glas water raakt uit zicht. In het gesprek spreekt Jezus over levend water. Midden in dat gesprek, schijnbaar uit het niets, wordt het ook even pijnlijk. Als het gaat over die relaties. Vijf mannen en “die u nu hebt is uw man niet” (vs.18). Daar kunnen allerlei redenen voor te bedenken zijn. Maar de tekst vermeld ons daar verder niets over, dus dat blijft gissen.

In de tekst lezen we niets negatiefs over de Samaritaanse vrouw. Nergens noemt Jezus haar een zondares. Er zijn in de Evangeliën verschillende mensen tegen wie Jezus zegt: “Ga heen en zondig niet meer.” Maar ook dat lezen we hier niet. Er is veel wat wij niet kunnen weten over het verleden van deze vrouw. Maar het is duidelijk dat zij liever niet gezien wil worden. Ze vermijdt contact met anderen uit haar stad. Wat de reden ook precies is, feit is dat ze op het heetst van de dag naar de bron gaat, in plaats van in de koelte van de morgen of van de avond, zoals gebruikelijk. Ze leeft geïsoleerd door wat zij met haar meedraagt.

Ze draagt iets met haar mee, waardoor anderen op afstand blijven in haar leven. Ze is besmet door haar verleden. Ze heeft geen hoop op een vaccin, geen geloof in een medicijn dat haar kan bevrijden uit de quarantaine waar ze zich in bevindt. Als Jezus spreekt over levend water, dan wil de vrouw dat hebben, want, zegt ze, “dan hoef ik ook niet meer hierheen te komen om water te putten” (v. 15).
Dan hoeft ze niet meer naar de publieke ruimte van de waterput en kan ze zich nog verder
terugtrekken in haar isolement.

Maar Jezus geeft haar een nieuwe toekomst. Van een vrouw met een verleden wordt zij een vrouw
met een toekomst. Het lange gesprek eindigt met Jezus die zegt: Ik ben het. De vrouw heeft over de
Messias gehoord en daarop zegt Jezus: “Dat ben ik, die met u spreekt.” Daar loopt het op uit. Dat
ontdekt deze vrouw: “Gij zijt het water ons ten leven; de bronnen van de eeuwigheid” (lied 653).
Jezus zelf is het levende water dat eeuwig leven geeft. Hij geeft zichzelf. Dit is geen verhaal over
moraliteit en het gaat niet over ‘stoppen met verkeerde dingen’. Het is een verhaal over Jezus die
zichzelf onthult als de Messias. Hij onthult zich aan een medemens in wie Hij oprechte spirituele
dorst ziet.

Een nieuwe toekomst voor wie dorst heeft. Op dit moment staat onze hele maatschappij in het teken
van het coronavirus. Het houdt ook ons in Ouwsterhaule en Scharsterbrug in de greep. Zelfs de kerk
kan even geen fysieke plek zijn om te schuilen voor de onrust. We moeten voorzichtig zijn met
mensen die kwetsbaar zijn. En zo komen mensen van wie de wereld toch al kleiner wordt, steeds
meer in een isolement terecht. Ook wij dorsten, naar dagen dat de maatregelen weer voorbij zijn.
Ook wij dorsten naar iemand die onze zorgen begrijpt. Iemand die echt met ons in gesprek gaat, van
oog tot oog en van hart tot hart.

Ook deze dag waarop we elkaar niet fysiek ontmoeten in Gods huis, spreekt dit woord van God tot
ons. Van Jezus, de Messias, die naar risicoplekken reist. Niet om risico’s te nemen, maar omdat Hij in
het lijden is, in de eenzaamheid en in het isolement. Hij moest door Samaria, en zo is Hij op weg naar
Golgotha, omdat Hij ook daar moet zijn. Om zichzelf te geven. Voor wat wij met ons meedragen, aan
angsten en mislukkingen en pijn en verdriet. Om dat op Zich te nemen. Om ons te geven waar wij
naar hongeren en dorsten: het eeuwig leven, dat hier en nu begint. Amen.
 
 
 
Protestantsekerk.net is een samenwerking tussen de dienstenorganisatie van de Protestantse Kerk in Nederland en Human Content Mediaproducties B.V.